Het Fundament Les 4 van 4 in deze sectie
Les 3 van 21 14%

Het Fundament — Les 4 van 4

Les 3: Jezus Christus

Inleiding

De naam Jezus Christus is onlosmakelijk verbonden met het christendom. Hij is het fundament waarop de christelijke kerk gebouwd is. Hij is de garantie voor de redding van de mens.

Wie was Hij? Een gewoon goed mens, een sociaal werker, een groot profeet, God? Inderdaad, Hij was dat alles. Maar Hij was meer. De bijbel geeft een verslag van Zijn leven en openbaart van Hem wat je nodig hebt om je te kunnen bevrijden van de zonde. Door de verschillende titels die de schrijvers van de bijbel Hem gegeven hebben, krijg je een goede indruk van Zijn persoonlijkheid. Hij is bijvoorbeeld ‘het lam Gods (Johannes 1:36), ‘een grote hogepriester’ (Hebreeën 4:14), ‘de alfa en de omega, het begin en het einde’ (Openbaring 21:6), ‘het brood des levens’ (Johannes 6:35), ‘de Koning der koningen’ (1 Timótheüs 6:15), ‘Eeuwige Vader, Vredevorst’ (Jesaja 9:5), ‘Immanuel, God met ons’ (Matthéüs 1:23), ‘een geestelijke rots’ (1 Korinthe 10:4), ‘de Messias’ (Johannes 4:25), ‘het Woord’ (Johannes 1:14, ‘de leeuw uit de stam Juda’ (Openbaring 5:5), ‘het beeld van de onzichtbare God’ (Kolossensen 1:15).

Jezus was ‘de Zoon van God’ (Markus 3:11) en tegelijkertijd  was Hij ‘uit het geslacht van David’ (2 Timótheüs 2:8); Hij was goddelijk zowel als menselijk (Romeinen 1:1-4). Dat is, tezamen met nog andere titels als ‘Schepper’’, ‘Gids’ en ‘Raadgever’ een vrij complex beeld. In deze les gaan we op deze tweeledige natuur van Christus in. Maar allereerst dit: Jezus, als kind geboren in Bethlehem, was geen nieuw wezen. Hij bestond reeds voordat Hij hier op aarde kwam bij de Vader. Hij zei*: ‘Wat dan, indien gij de Zoon des mensen daarheen zaagt opvaren, waar Hij tevoren was?’ Johannes 6:62.*

Jezus gelijk aan God?

Het Oude-, zowel als het Nieuwe Testament laten er geen twijfel over bestaan dat Jezus gelijk aan God is. In Jesaja 9:5 wordt een beeld gegeven van een kind dat geboren zou worden met een speciale bedoeling: het zou God op aarde vertegenwoordigen. Zijn komst was voorspeld. Helaas wordt in Handelingen 3:13-15 vermeld dat men het verloochend en gedood heeft.

Jeremía 3:13-15 beschrijft de afstamming van deze Koning en Rechter. ‘Zie, de dagen komen, luidt het woord des Heren, dat Ik aan David een rechtvaardige Spruit zal verwekken; die zal als koning regeren en verstandig handelen, die zal recht en gerechtigheid doen in het land.

In Zijn dagen zal Juda behouden worden en Israel veilig wonen; en dit is zijn naam, waarmede men Hem zal noemen: de Here onze gerechtigheid.’

Zelfs Zijn geboorteplaats en eeuwig vóórbestaan zijn voorspeld. ‘En gij, Betlehem Efrata, al zijt gij klein onder de geslachten van Juda, uit u zal Mij voortkomen die een heerser zal zijn over Israel en wiens oorsprong is van ouds, van de dagen der eeuwigheid.’ Micha 5:2.

Jezus Christus wordt de Zoon van God genoemd. De menselijke betekenis van het woord zoon is: de geboorte van een jongen. Maar de bijbel verklaart dat Christus’ voorbestaan niet was als een geschapen wezen. Het evangelie van Johannes, hoofdstuk 1, vers 1-3 spreekt over ‘het Woord van God’, en zegt verder dat daardoor alle dingen gemaakt zijn. De verzen 14 en 15 tonen wie dat Woord is, namelijk ‘de eniggeborene des Vaders’. Kolossensen 1:15 spreekt over ‘de eerstgeborene der ganse schepping’. Dit woord ‘eerstgeborene’ of ‘eniggeborene’ wijst niet op een werkelijke geboorte, zoals wij die kennen, maar beschrijft de positie. De eerstgeborene is de belangrijkste, degene met de meeste verantwoording. Laten we als voorbeeld de persoon van David nemen. In  Psalm 89:28 wordt gezegd dat Hij tot een eerstgeborene gesteld is. Toch was hij de achtste zoon van Isaï (zie 1 Samuël 16:10-11). Het betreft ook hier zijn positie.

Jezus zei: *‘Ik en de Vader zijn één.’ Johannes 10:30.*De Verlosser der wereld was gelijk aan God. Zijn autoriteit was de autoriteit van God. Hij was onze Schepper, en het is daarom onvermijdelijk dat we op grond daarvan Zijn goddelijkheid accepteren. ‘die, in de gestalte Gods zijnde, het Gode gelijk zijn niet als een roof heeft geacht, maar Zichzelf ontledigd heeft, en de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen, en aan de mensen gelijk geworden is. En in Zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood des kruises.’ Filippensen 2:6-8.

Hieronder volgen nog enige teksten die de Godheid van Christus aangeven:

‘(…) de Christus, die is boven alles, God, te prijzen tot in eeuwigheid!’ Romeinen 9:5.

‘Want in Hem woont al de volheid der godheid lichamelijk’ Kolossensen 2:9.

‘En buiten twijfel, groot is het geheimenis der godsvrucht: Die Zich geopenbaard heeft in het vlees, is gerechtvaardigd door de Geest, is verschenen aan de engelen, is verkondigd onder de heidenen, geloofd in de wereld, opgenomen in heerlijkheid.’ 1 Timótheüs 3:16.

Jezus als mens

Waarom werd de Zoon van God de Zoon des mensen? Hij werd mens om voor ons de straf te dragen die het gevolg is van de zonde, de overtreding van de wet. In les 7 gaan we hierop dieper in. God werd mens, niet alleen om voor ons te sterven, maar vooral om voor ons te leven. Dit is het grote verlossingsplan dat ons kan bevrijden van de zonde en haar gevolgen. Maar waarom moest Jezus dan onze zondige, menselijke natuur aannemen? Hebreeën 2:14-18 vertelt ons dat Hij niet de natuur van de engelen, maar die van ons aannam om in staat te zijn de verzoeking, zoals die tot de mens kwam, ook als mens te overwinnen. Alleen op die manier zou Hij de duivel, die de macht over de dood had, uiteindelijk kunnen vernietigen.

Johannes 1:14 zegt ‘het Woord is vlees geworden’. De Schepper werd mens om de gevallen mensheid te verlossen van de zonde en de veroordeling van de overtreden wet. ‘Daar nu de kinderen aan bloed en vlees deel hebben, heeft ook Hij op gelijke wijze daaraan deel gekregen, opdat Hij door zijn dood hem, die de macht over de dood had, de duivel, zou onttronen, en allen zou bevrijden, die gedurende hun ganse leven door angst voor de dood tot slavernij gedoemd waren. Want over de engelen ontfermt Hij Zich niet, maar Hij ontfermt Zich over het nageslacht van Abraham. Daarom moest Hij in alle opzichten aan zijn broeders gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en getrouw hogepriester zou worden bij God, om de zonden van het volk te verzoenen. Want doordat Hij zelf in verzoekingen geleden heeft, kan Hij hun, die verzocht worden, te hulp komen.’ Hebreeën 2:14-18.

Als je nadenkt over de menswording van Christus, dan sta je verbijsterd voor een ondoorgrondelijk mysterie dat de menselijke geest niet kan doorgronden. Hoe groot is het contrast tussen de Godheid van Christus en het hulpeloze kind dat geboren is in een stal in Bethlehem. Hoe kun je de afstand overbruggen tussen de machtige God en een hulpeloos kind?

Machtiger dan de engelen, gelijk aan de Vader in goddelijkheid en eer, en toch ook mens. Deze beide aspecten waren verenigd in Christus tijdens Zijn leven op aarde. In deze combinatie, de vereniging van  goddelijke en menselijke eigenschappen, ligt de hoop voor het gevallen menselijke ras.

Door Zijn Zoon naar de aarde te zenden als mens kon God tonen dat het niet nodig is om Zijn wet te overtreden. Het hele universum zou weten dat Zijn wet rechtvaardig en goed is, en dat het mogelijk is  om naar deze goddelijke maatstaf te leven. Christus werd het volmaakte voorbeeld, doordat Hij aantoonde hoe ook wij in harmonie met God kunnen leven. Hij was een Mens die te maken kreeg met dezelfde aanvechtingen als wij. ‘Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medevoelen met onze zwakheden, maar een, die in alle dingen op gelijke wijze als wij is verzocht geweest, doch zonder te zondigen.’ Hebreeën 4:15.

‘Maar’, zult u zeggen, ‘Jezus was Gods Zoon, Hij zou natuurlijk altijd gehoorzaam zijn aan Gods wet, want God zondigt niet.’ Dat is waar. In Zijn goddelijkheid kon Hij niet zondigen, maar laten we wel beseffen dat Jezus geen enkele keer Zijn goddelijke macht gebruikte om de zonde te overwinnen. Hij had Zijn goddelijke gestalte bij Zijn geboorte op aarde afgelegd, werd werkelijk mens, en had daardoor de mogelijkheid om te zondigen. Maar dat deed Hij niet; Hij was gehoorzaam aan Zijn Vader. ‘En zo heeft Hij, hoewel Hij de Zoon was, de gehoorzaamheid geleerd uit hetgeen Hij heeft geleden, en toen Hij het einde had bereikt, is Hij voor allen, die Hem gehoorzamen, een oorzaak van eeuwig heil geworden.’ Hebreeën 5:8-9.

Zijn geloof reikte naar de Vader. Hij leefde een leven dat wij ook kunnen leven. Hij was ons volmaakte voorbeeld. Dit was Zijn zending: dat Hij als mens zou leven in het domein van Satan, en door te vertrouwen op de macht van God, als overwinnaar te voorschijn zou komen. Met zijn menselijke arm omvatte Hij de mensheid, terwijl Hij met Zijn goddelijke arm de troon van de Oneindige vasthield. Hij verenigde de eindige mens met de oneindige God. Hij overbrugde de kloof die de zonde gemaakt had en verbond de aarde met de hemel. Iemand drukte het eens zo uit: ‘Hij bekleedde Zijn goddelijkheid met menselijkheid.’ Door Zijn leven toonde Jezus dat je de duivel kunt overwinnen door de macht en de genade, die God door Zijn Zoon heeft geschonken. Door mens te worden toonde Jezus hoe je als zoon of dochter van God kunt leven.

Het middel tegen de zonde

Iemand schreef eens het volgende over de macht van de zonde en hoe die te weerstaan:

‘Het is onmogelijk voor ons in eigen kracht de aandrang van onze gevallen natuur te weerstaan. Langs deze weg zal Satan de verleiding tot ons doen komen. Christus wist dat de vijand tot ieder menselijk wezen zou komen om misbruik te maken van de aangeboren zwakheid, en om door valse voorstellingen allen wier vertrouwen niet in God is in zijn netten te verstrikken. En door de weg te gaan die ook de mens moet gaan, heeft onze Here voor ons de weg tot overwinning voorbereid. Het is niet Zijn wil, dat wij in een ongunstige positie geplaatst zouden worden in de strijd met Satan. Hij wil niet dat wij beangstigd of ontmoedigd zullen worden door de aanvallen van de slang. “Houdt goede moed”, zegt Hij, “Ik heb de wereld overwonnen.” (Johannes 16:33).

Laat hij die worstelt tegen de macht van de begeerte zien op de Heiland in de woestijn der verzoeking. Zie op Hem in Zijn doodsstrijd aan het kruis, wanneer Hij uitroept “Mij dorst!’’ (Johannes 19:28). Hij heeft alles verdragen wat wij mogelijk te dragen kunnen krijgen. Zijn overwinning is de onze. Jezus rustte in de wijsheid en de kracht van Zijn hemelse Vader. Hij verklaart: “De Here Here helpt Mij, daarom werd ik niet te schande … Ik wist, dat ik niet beschaamd zou worden … Zie, de Here Here helpt mij…” (Jesaja 50:7, 9). Hij wijst op Zijn eigen voorbeeld en zegt ons: “Wie onder u vreest de Here? … Wanneer hij in diepe duisternis wandelt, van licht beroofd, vertrouwe hij op de naam des Heren en steune op zijn God.” (Jesaja 50:10).

“De overste der wereld komt”, zei Jezus, “en heeft aan Mij niets.” (Johannes 14:30). In Hem was niets dat inging op de bedrieglijke wijsheid van Satan. Hij stemde niet in met de zonde. Zelfs niet in gedachten gaf Hij toe aan de verleiding. Zo kan het ook met ons zijn. Christus’ menselijke natuur was verbonden met de goddelijkheid. Hij was gereed de strijd aan te binden omdat de Heilige Geest in Hem woonde. Hij kwam om ons deel te doen hebben aan de goddelijke natuur. Zolang we door Hem met het geloof zijn verbonden, heeft de zonde geen macht meer over ons. God tracht de hand van geloof in ons te grijpen om die hand zo te leiden dat ze zich aan de goddelijkheid van Christus zal vasthouden, opdat wij volmaaktheid van karakter mogen bereiken.

En hoe dit bereikt wordt, heeft Christus ons getoond. Door welk hulpmiddel overwon Hij de strijd met Satan? Door het Woord van God. Alleen door het Woord kon Hij de verzoeking weerstaan, ‘Er staat geschreven’(Matthéüs 4:4), zei Hij. En ons zijn gegeven ‘kostbare en zeer grote beloften … opdat gij daardoor deel zoudt hebben aan de goddelijke natuur, ontkomen aan het verderf, dat door de begeerte in de wereld heerst.’ (2 Petrus 1:4). Iedere belofte in Gods Woord geldt ons. ‘Van alle woord dat uit de mond Gods uitgaat’ (Matthéüs 4:4) moeten we leven. Wanneer we aangevallen worden door de verzoeking, moeten we niet letten op de omstandigheden of op onze eigen zwakheid, maar op de kracht van het Woord. Alle kracht daarvan behoort u toe. De psalmist zegt: “Ik berg uw woord in mijn hart, opdat ik tegen U niet zondige.” (Psalm 119:11). “Naar het woord Uwer lippen heb ik mij gewacht voor de paden van de geweldenaar.” (Psalm 17:4).” – Ellen G. White, ‘De Wens der Eeuwen’, blz. 93-94.

Door Zijn wandel op aarde was Christus één met de mensheid en door Zijn goddelijke afkomst was Hij één met God, Zijn Vader. Om deze reden kan Hij de Advocaat, de Middelaar zijn tussen God en mensen. Alleen Hij kon vanwege zijn Godheid verzoening voor ons doen. Geen engel of enig ander geschapen wezen was hiervoor geschikt. Onze Verlosser moest zowel deel uitmaken van de Godheid alsook volkomen mens zijn.

Laten we onze hulp zoeken bij de Here Jezus Christus als onze Bemiddelaar en ons hart voor Hem openen in gebed. Hij is een trouwe Advocaat die in staat is voor ons bij de Vader te pleiten. Wilt u ook Zijn uitnodiging aannemen, die zegt: ‘Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven; neemt Mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen; want Mijn juk is zacht en Mijn last is licht.’ Matthéüs 11:28.