Gods Waarheid voor Deze Tijd — Les 4 van 4
Les 15: Een boodschap voor deze tijd
Inleiding
Evangelie wil zeggen blijde boodschap; in de bijbel de boodschap van redding door Jezus Christus. Dit goede nieuws werd reeds bekendgemaakt in Genesis 3:15, waar gewezen wordt op de toekomstige Macht die Satan zou vernietigen. Later werd deze boodschap meer ontsloten door andere bijbelschrijvers, in het bijzonder door Jesaja (zie Jesaja 61), die wel de evangelist van het Oude Testament genoemd wordt.
Jezus kondigde Zijn bediening aan aan de bewoners van Zijn eigen dorp Nazareth door het herhalen van de woorden uit Jesaja 61:1-2. ‘De Geest des Heren Heren is op Mij, daarom, dat Hij Mij gezalfd heeft, om aan armen het evangelie te brengen; en Hij heeft Mij gezonden om aan gevangenen loslating te verkondigen en aan blinden het gezicht, om verbrokenen heen te zenden in vrijheid, om te verkondigen het aangename jaar des Heren.’ Lukas 4:18-19.
Paulus beschrijft het goede nieuws als ‘het evangelie van Christus’ (Romeinen 15:19), ‘het evangelie van God (Romeinen 1:1), en ‘het evangelie der genade Gods’, (Handelingen 20:24). En Jezus roept Zijn volgelingen op om dat evangelie aan alle mensen te brengen. ‘En Hij zei tot hen: Gaat heen in de gehele wereld, verkondigt het evangelie aan de ganse schepping.’ Markus 16:15. Ook verbindt Hij de evangelieverkondiging met het einde van de wereldgeschiedenis, dat wil zeggen met Zijn wederkomst. ‘En dit evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken, en dan zal het einde gekomen zijn.’ Matthéüs 24:14
De apostel Johannes zag in een visioen een engel met het ‘eeuwig evangelie’ om dat te verkondigen aan *‘alle volk en stam en taal en natie.’ Openbaring 14:6.*De verkondiging van zo’n goede boodschap ging vaak gepaard met een waarschuwing en een oproep tot bekering.
Vooral wanneer belangrijke gebeurtenissen voor Gods volk of voor de gehele wereld zouden plaatsvinden, zond God vooraf een waarschuwingsboodschap op grond waarvan men zijn keus kon bepalen: vóór of tegen God. Te denken valt aan de voorzegging van de zondvloed in Noachs tijd (Genesis 6:1-8, 11-13), en aan de waarschuwing van Jona aan de bewoners van de stad Ninevé. Jona 3:1-5 en vers 10 zegt: ‘Het woord des Heren kwam ten tweeden male tot Jona: Maak u op, ga naar Ninevé, de grote stad, en breng haar de prediking, die Ik tot U spreken zal. Toen maakte Jona zich op en ging naar Ninevé, overeenkomstig het woord des Heren. Ninevé nu was een geweldig grote stad, van drie dagreizen. En Jona begon de stad in te gaan, één dagreis, en hij predikte en zei: Nog veertig dagen en Ninevé wordt ondersteboven gekeerd! En de mannen van Ninevé geloofden God en riepen een vasten uit en bekleedden zich, van groot tot klein, met rouwgewaden.’
‘Toen God zag wat zij deden, hoe zij zich bekeerden van hun boze weg, berouwde het God over het kwaad dat Hij gedreigd had hun te zullen aandoen, en Hij deed het niet.’
Ook Johannes de Doper bracht een dergelijke boodschap. Hij zei met het oog op het werk dat Jezus spoedig zou beginnen o.a.: ‘Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen (…)’ ‘Breng dan vrucht voort, die aan de bekering beantwoordt.’ Matthéüs 3:2, 8.
Het waren waarschuwingsboodschappen voor een bepaalde tijd en ze hadden met elkaar gemeen dat ze een oproep deden tot bekering. Het moet ons dan ook niet verwonderen, dat God voor het einde van de tijden, waarin wij volgens verschillende bijbelse profetieën (zoals Matthéüs 24) leven, eveneens een dergelijke boodschap heeft. Ook wij worden opgeroepen ons te bekeren en ons voor te bereiden op de komst van Christus. De apostel Petrus noemt zo’n boodschap ‘de waarheid die bij u is’, of zoals de Statenvertaling het uitdrukt ‘de tegenwoordige waarheid’ (2 Petrus 1:12). De boodschap voor deze tijd vinden we in Openbaring 14:6-13 en wordt wel genoemd de drievoudige engelboodschap. Deze drie boodschappen waarschuwen de huidige wereld en roepen op tot bekering voordat de laatste plagen, die in Openbaring 16 genoemd zijn, worden uitgestort en Jezus weerkomt op de wolken des hemels.
De eerste engelboodschap
De boodschap van de eerste engel luidt: ‘En ik zag een andere engel vliegen in het midden des hemels en hij had een eeuwig evangelie, om dat te verkondigen aan hen, die op de aarde gezeten zijn en aan alle volk en stam en taal en natie; en hij zei met luider stem: Vreest God en geeft Hem eer, want de ure van Zijn oordeel is gekomen, en aanbidt Hem, die de hemel en de aarde en de zee en de waterbronnen gemaakt heeft.’ Openbaring 14:6-7.
Deze engel roept allereerst iedereen op om God, de Schepper van hemel en aarde, te eren. Zijn aansporing voert ons terug tot de scheppingsweek van zeven dagen, zoals beschreven van Genesis 1:1 tot Genesis 2:3. Vervolgens deelt hij mee dat ‘de ure van Zijn oordeel’ is gekomen. We zullen eerst onderzoeken wat de betekenis van deze uitdrukking is; daarna zien we over welke tijd deze profetie spreekt.
a De betekenis van ‘de ure van Zijn oordeel
We gaan in de geschiedenis terug naar Mozes. Hij moest op bevel van God een aards heiligdom oprichten waar God temidden van Zijn volk zou wonen. ‘En zij zullen Mij een heiligdom maken, en Ik zal in hun midden wonen.’ Exodus 25:8.Deze woonplaats, in de vorm van een tent, bestond uit het heilige en het heilige der heiligen. Dagelijks werden er vanwege de zonden offers gebracht door zowel de priesters als het volk. Deze zonden werden symbolisch overgebracht op het heiligdom. Eenmaal in het jaar, aan het einde van het Israëlitische kerkelijke jaar, vond er een reiniging van dit aardse heiligdom plaats. Dat was op de Grote Verzoendag. Dan ging de hogepriester in het heilige der heiligen, de tweede afdeling van het heiligdom. Zie Leviticus 16. Degene die zich op dat moment niet verootmoedigd had zou volgens Leviticus 23:29 ‘uitgeroeid worden uit zijn volksgenoten’. Dat wil zeggen dat hier sprake was van een oordeelsdag.
Deze aardse dienst was een afbeelding van de dienst in de hemel. Zo vindt er ook in het hemels heiligdom een reiniging plaats; niet jaarlijks, maar slechts één keer, door Christus, onze Hogepriester. Hebreeën 9:11-12 en 23-25 luiden: ‘Maar Christus, opgetreden als hogepriester der goederen, die gekomen zijn, is door de grotere en meer volmaakte tabernakel, niet met handen gemaakt, dat is, niet van deze schepping, en dat niet met het bloed van bokken en kalveren, maar met Zijn eigen bloed, eens voor altijd binnengegaan in het heiligdom, waardoor Hij een eeuwige verlossing verwierf.’
‘Noodzakelijk moesten dus hiermede de afbeeldingen van de hemelse dingen gereinigd worden, maar de hemelse dingen zelf met betere offeranden dan deze. Want Christus is niet binnengegaan in een heiligdom met handen gemaakt, een afbeelding van het ware, maar in de hemel zelf, om thans, ons ten goede, voor het aangezicht Gods te verschijnen; ook niet om Zichzelf dikwijls te offeren, gelijk de hogepriester jaarlijks met ander bloed dan het zijne in het heiligdom gaat.’
Anders gezegd: Jezus is als Hogepriester het ware heilige der heiligen van het hemelse heiligdom binnengegaan, niet met het bloed van bokken en kalveren, maar met Zijn eigen bloed. Daardoor wordt het hemelse heiligdom gereinigd. Zoals bij de schaduwachtige Grote Verzoendag een zelfonderzoek moest plaatsvinden om niet ‘uitgeroeid’ te worden, zo vindt ook tijdens de werkelijke Grote Verzoendag, bij Jezus’ ingaan in het hemelse heiligdom, een onderzoekend oordeel plaats. Daniël noemt dat het in rechte staat herstellen van het heiligdom. (Daniël 8:14).
b Het tijdstip waarop ‘de ure van Zijn oordeel’, het in rechte staat herstellen van het heiligdom, is begonnen
Om te weten wanneer dat oordeelsmoment is aangebroken, moeten we de profetie van Daniël 8 bestuderen, waar in vers 14 staat: ‘En hij zei tot mij: Tweeduizend driehonderd avonden en morgens; dan zal het heiligdom in rechten hersteld worden.’
Hier wordt duidelijk een tijdsprofetie gegeven: 2300 avonden en morgens, of dagen. Nu geeft de bijbel een sleutel voor de uitleg van een dergelijke tijdsprofetie: Eén dag in de profetie is gelijk aan één jaar in werkelijkheid. Zie Numeri 14:34 en Ezechiël 4:6. Daniëls profetie van hoofdstuk 8 vers 14 spreekt zodoende over een periode van 2300 jaar.
In Daniël 9:24-27 wordt deze periode in een aantal tijdvakken verdeeld en wordt eveneens het begintijdstip van deze profetie aangegeven. ‘Weet dan en versta: vanaf het ogenblik, dat het woord uitging om Jeruzalem te herstellen en te herbouwen (…)’ Daniël 9:25.
Het volk Israël was in ballingschap naar Babylon gevoerd. Dit rijk werd later opgevolgd door het Medo-Perzische rijk. Arthasasta was één van haar koningen. Deze Arthasasta nu gaf in het zevende jaar van zijn regering aan Ezra, de schriftgeleerde volmacht om met zijn volk terug te keren naar Jeruzalem (Ezra 7:7, 11-26). Hij kwam aan de regering in 464 vóór Christus. Het zevende jaar van zijn regering is dan 457 vóór Christus. Hier ligt dus het begin van de 2300 avonden en morgens, de 2300 jaar. Vóór het bevel van koning Arthasasta doen nog twee koningen de Israëlieten de aanzegging om terug te keren naar hun land, maar de meest definitieve was die van Arthasasta. Hij gaf het Joodse volk de gelegenheid, zij het onder Perzisch bestuur, om weer een autonome staat op te bouwen. Ze mochten weer regeerders en rechters aanstellen. Zie Ezra 7:25-26.
Deze grote profetische periode eindigt dan in 1844 na Christus. Op dat moment is zowel ‘de ure van Zijn oordeel’ als de tijd van het einde aangebroken, want Daniël 8:17 zegt: ‘(…) Versta, mensenkind, dat het gezicht doelt op de tijd van het einde.’ De feitelijke Grote Verzoendag in de hemel is dus begonnen in 1844.
In de schaduwdienst mochten alleen zij, die hun zonden voor God hadden beleden en deze door het bloed van het zondoffer naar het heiligdom hadden overgebracht, aan de dienst van de Grote Verzoendag deelnemen. Zo zullen, nu de definitieve Grote Verzoendag is aangebroken, de daden van Gods kinderen worden onderzocht. Dit gebeurt aan de hand van de boeken (Openbaring 20:12) waarin de zonden zijn opgetekend. Onderzocht wordt of zij, die zondigden en daarover berouw hadden, in aanmerking komen voor de voorrechten van Christus’ verzoening
De betekenis van ‘de ure van Zijn oordeel’
De tweede engel roept uit: ‘Gevallen, gevallen is het grote Babylon, dat de wijn van de hartstocht zijner hoererij al de volkeren heeft doen drinken.’ Openbaring 14:8.
Deze tijding heeft betrekking op de val van het geestelijke Babylon in de tijd van het einde, want beide boodschappen worden naast elkaar verkondigd. Johannes ziet dit geestelijke Babylon in Openbaring 17:1-5 onder het symbool van een gevallen vrouw. De vrouw is in de bijbel vaak een symbool van de gemeente of de kerk. ‘Want uw man is uw Maker, Here der heerscharen is Zijn naam; en uw losser is de Heilige Israëls, God der ganse aarde zal Hij genoemd worden. Want als een verlaten en diepbedroefde vrouw heeft u de Here geroepen, als een vrouw uit de jeugdtijd, nadat zij versmaad werd – zegt uw God.’ Jesaja 54:5-6.
De reine vrouw is een beeld van de ware gemeente, de gevallen vrouw een voorstelling van een van God afgeweken gemeente. Veel kerken verwierpen de boodschap van de eerste engel en waren God daarom niet welgevallig. Zij gingen behoren tot het geestelijk Babylon.
De derde engelboodschap
De laatste engel in dit schriftgedeelte spreekt onder andere over Gods ongemengde gramschap of toorn, en over hen die Zijn geboden bewaren. ‘En een andere engel, een derde, volgde hen, zeggende met luider stem: Indien iemand het beest en zijn beeld aanbidt en het merkteken op zijn voorhoofd of op zijn hand ontvangt, die zal ook drinken van de wijn van Gods gramschap, die ongemengd is toebereid in de beker van Zijn toorn; en hij zal gepijnigd worden met vuur en zwavel ten aanschouwen van de heilige engelen en van het Lam.’ ‘Hier blijkt de volharding der heiligen, die de geboden Gods en het geloof in Jezus bewaren.’ Openbaring 14:9-10, 12.
‘Het beest’ is een term voor een macht die zich tegen God opstelt en zijn macht ontvangt van ‘de draak’, en met de draak bedoelt de bijbel Satan. ‘En zij aanbaden de draak, omdat hij aan het beest de macht gegeven had, en zij aanbaden het beest, zeggende: Wie is aan het beest gelijk? En: Wie kan er oorlog tegen voeren?’ Openbaring 13:4.’En hij greep de draak, de oude slang, dat is de duivel en de satan (…)’ Openbaring 20:2.
De profetie zegt dat degenen die het beest, indirect dus de duivel, aanbidden een merkteken zullen ontvangen. Aangezien de heiligen, die Gods geboden gehoorzamen worden geplaatst tegenover degenen die het beest en zijn beeld aanbidden en zijn merkteken ontvangen, is het logisch dat het houden van Gods wet enerzijds en de overtreding daarvan anderzijds de scheidslijn zal vormen tussen degenen die God aanbidden en zij die het beeld aanbidden. **Gods wet is dus het criterium.**En midden in die wet staat het vierde gebod, het enige gebod dat de naam en de titel van de wetgever noemt. ‘Maar de zevende dag is de sabbat van de Here, uw God; dan zult gij geen werk doen, gij noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch de vreemdeling die in uw steden woont. Want in zes dagen heeft de Here de hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte op de zevende dag; daarom zegende de Here de sabbatdag en heiligde die.’ Exodus 20:10-11. De naam van de wetgever is God, Zijn titel is Schepper, en de Sabbat is een teken tussen Hem en Zijn volk. ‘Heiligt Mijn sabbatten, dan zullen deze een teken zijn tussen Mij en u, opdat gij weet, dat Ik, de Here, uw God ben.’ Ezechiël 20:20.
De Sabbat is het merkteken of het zegel van God; een andere rustdag, de zondag, het teken van Zijn tegenstander. De eeuwenoude strijd tussen goed en kwaad, tussen de machten van het licht en die van de duisternis, vindt ook nu nog plaats. Óf Christus wordt aanbeden, óf Zijn opponent Satan. Een andere weg is er niet.
Deze derde engel spreekt o.a., zoals we hierboven zagen, over de ongemengde gramschap van God die zal komen over degenen die Zijn tegenstander navolgen. Deze toorn, in tegenstelling tot eerdere straffen die over de aarde kwamen, wordt niet gemengd met genade en wordt teweeggebracht door de laatste zeven plagen die over de wereld zullen komen. Openbaring 16 beschrijft deze plagen. Na de uitstorting daarvan is er een einde gekomen aan Gods toorn. ‘En ik zag een ander teken in de hemel, groot en wonderbaar: zeven engelen, die de zeven laatste plagen hadden, want daarmede is de gramschap Gods voleindigd.’ Openbaring 15:1.
Het geloof en de werken
De drievoudige engelenboodschap is Gods laatste waarschuwing voor deze tijd, maar dat niet alleen. Het is ook Zijn laatste boodschap van genade en hoop. Bij de wederkomst van Christus zullen er nog mensen zijn die God aanbidden en Zijn geboden bewaren. Hun redding zal liggen in het geloof en de werken tezamen. Zij geloven in Jezus als de Zoon van God, als Degene die door Zijn sterven aan het kruis van Golgotha de weg opende voor eeuwig leven. Op grond van dat geloof en uit wederliefde voor hun Verlosser kunnen en willen zij niet anders dan al Zijn geboden houden. Voor hen is de zaligspreking van Openbaring 14:13: ‘(…) Schrijf, zalig de doden, die in de Here sterven, van nu aan. Ja, zegt de Geest, dat zij rusten van hun moeiten, want hun werken volgen hen na.’
Ieder die wil, kan door het aanvaarden en uitleven van deze beslissingsboodschap reeds nu de vreugde ervaren die bestaat in het dienen van Christus.