Gods Waarheid voor Deze Tijd — Les 1 van 4
Les 12: De volmaakte wet
Inleiding
Een vast fundament
God is zowel de Schepper als de Bestuurder van alles was geschapen is. Alles is onderworpen aan door Hem ingestelde wetten, de mensen niet uitgezonderd. Zonder wetten kan ook een regering niet bestaan. Overal waar anarchie heerst is chaos en lijden. De harmonie van zowel alle levende wezens als van de levenloze dingen is afhankelijk van de wetten van Gods regering. Hierin openbaart Hij Zijn wil, liefde en wijsheid, en hiernaar worden wij beoordeeld.
Deze leefregels zijn gegeven voor ons welzijn. Jezus zegt in de bergrede het volgende: ‘Een ieder nu, die deze mijn woorden hoort en ze doet, zal gelijken op een verstandig man, die zijn huis bouwde op de rots. En de regen viel neer en de stromen kwamen en de winden waaiden en stortten zich op dat huis, en het viel niet in, want het was op de rots gegrondvest. En een ieder, die deze mijn woorden hoort en ze niet doet, zal gelijken op een dwaas man, die zijn huis bouwde op het zand. En de regen viel neer en de stromen kwamen en de winden waaiden en sloegen tegen dat huis, en het viel in, en zijn val was groot.’ Matthéüs 7:24-27.
De fundamenten waarop duizenden jaren gebouwd is, zijn grotendeels afgebroken. Eerlijkheid, trouw, vlijt, plichtsgevoel, zuiverheid in denken en handelen, geloof en godsvertrouwen waren lange tijd de basiselementen van een fatsoenlijk leven. Vandaag streven we naar mondigheid en vrijheid, alsof dat in strijd zou zijn met de hiervoor genoemde normen. Men wil zich niets meer laten gezeggen, noch door God, noch door mensen. Het ‘Gij zult …’ wordt beschouwd als een beperking van de persoonlijkheid. De absolute vrijheid wordt nagestreefd, waar we alleen aan onszelf verantwoording verschuldigd zijn. We hebben ons grotendeels ontdaan van geboden en verboden, ook van de tien geboden van de bijbel. Moraal zien we dan als een overblijfsel van oude inzichten en schaamte als het resultaat van een verkeerde opvoeding. We zoeken ons geluk veelal in een overdaad aan eten en drinken. Het gevolg is dat velen door een dergelijke manier van leven en het daarenboven nog gebruiken van tabak, alcohol of drugs vroegtijdig hun leven beëindigd zien. Is dat de uitkomst van deze zo geroemde vrijheid? Vaak bestaat ze uit niets anders dan wetteloosheid. Wie daarop zijn leven bouwt, bouwt op drijfzand.
De koninklijke wet der vrijheid
Ware vrijheid bestaat in gebondenheid en gehoorzaamheid aan God. Dat is sinds alle tijden door weinigen begrepen. In verschillende kerken wordt geleerd, dat de wet louter en alleen bestemd was voor het oude Israël. Voor hen die leven onder het nieuwe verbond, d.w.z. voor de christen-gelovigen, zou ze geen betekenis meer hebben. Toch wordt reeds in het Oude Testament gezegd dat Gods wet bindend is voor alle mensen. ‘Van al het gehoorde is het slotwoord: Vrees God en onderhoud zijn geboden, want dit geldt voor alle mensen.’ Prediker 12:13.
Niet mis te verstaan zijn de woorden van Jezus zelf, die zegt: ‘Meent niet, dat Ik gekomen ben om de wet of de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen om te ontbinden, maar om te vervullen. Want voorwaar, Ik zeg u: Eer de hemel en de aarde vergaat, zal er niet een jota of een tittel vergaan van de wet, eer alles zal zijn geschied.’ Matthéüs 5:17-18.
Duidelijker kon de Here Zijn verhouding ten opzichte van de geboden, gegeven op de Sinaï, niet uitdrukken. Ook in de uitspraken van de apostelen is niet de geringste aanleiding te vinden voor de tegenwoordige wetteloosheid. Met grote welsprekendheid zegt Johannes: ‘En hieraan onderkennen wij, dat wij Hem kennen: indien wij zijn geboden bewaren. Wie zegt: Ik ken Hem, en zijn geboden niet bewaart, is een leugenaar en in die is de waarheid niet; maar wie zijn woord bewaart, in die is waarlijk de liefde Gods volmaakt. Hieraan onderkennen wij, dat wij in Hem zijn. Wie zegt, dat hij in Hem blijft, behoort ook zelf zo te wandelen, als Hij gewandeld heeft.’ 1 Johannes 2:3-6.
De apostel Jakobus noemt de wet der tien geboden de koninklijke wet en de wet der vrijheid. Hij bedoelt daarmee niet alleen het gebod der liefde, want hij citeert zelfs enkele van de tien geboden. ‘Indien gij echter de koninklijke wet vervult naar het schriftwoord: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf, dan doet gij wel. Doch indien gij met aanzien des persoons handelt, doet gij zonde en wordt gij door de wet overtuigd van overtreding. Want wie de gehele wet houdt, maar op een punt struikelt, is schuldig geworden aan alle geboden. Want Hij, die gezegd heeft: Gij zult niet echtbreken, heeft ook gezegd: Gij zult niet doodslaan. Indien gij nu geen echtbreuk pleegt, maar wel doodslag, zijt gij toch een overtreder van de wet geworden. Spreekt zo en handelt zo als mensen past, die door de wet der vrijheid zullen geoordeeld worden.’ Jakobus 2:8-12.
Gods wet bestond al voor Mozes’ tijd
Zo’n 1500 jaar vóór Christus ontving Mozes van God op de berg Sinaï de stenen tafelen met daarop geschreven de tien geboden. Toch staan er in de bijbel aanwijzingen dat de wet reeds vóór die tijd bekend was. Adam en Eva zondigden, en aangezien zondigen overtreding van de wet is, moeten ook zij reeds de wet gekend hebben. Paulus schrijft dat als er geen wet is, er ook geen overtreding kan zijn. ‘(…) waar echter geen wet is, is ook geen overtreding.’ Romeinen 4:15. ‘Daarom, gelijk door een mens de zonde de wereld is binnengekomen en door de zonde de dood, zo is ook de dood tot alle mensen doorgegaan, omdat allen gezondigd hebben; want reeds voor de wet was er zonde in de wereld. Maar zonde wordt niet toegerekend, als er geen wet is. Toch heeft de dood als koning geheerst van Adam tot Mozes, ook over hen, die niet gezondigd hadden op een gelijke wijze als Adam overtrad, die een beeld is van de komende.’ Romeinen 5:12-14.
Abraham leefde ongeveer vijfhonderd jaar voordat de geboden op stenen tafelen aan Mozes gegeven werden. Van hem zegt de bijbel dat hij Gods wetten hield. In Genesis 26: 5 wordt gezegd dat hij gehoorzaam was aan Gods stem en Zijn geboden, inzettingen en wetten in acht heeft genomen. Reeds in Exodus 13:8-9 en 16:28 lezen we dat Mozes spreekt over de wetten en geboden van God. Let wel: ook dat is vóór de ontvangst van de tien geboden op de berg Sinaï, waarover pas gesproken wordt in Exodus 20.
De wetgeving op de Sinai
Drie maanden nadat de Israëlieten uit Egypte waren getrokken, ontvingen ze via Mozes de wet der tien geboden op zo genoemde stenen tafelen. Ze hadden ruim vierhonderd jaar te midden van de Egyptenaren gewoond, een volk dat onbekend was met de levende God. Veel van wat de Israëlieten van God en Zijn wet wisten, waren ze vergeten. Daarom gaf God hun nu de wet in tastbare vorm. Het ging dus niet om een nieuwe wet. Over de wet zegt de psalmschrijver onder andere het volgende: ‘De bevelen des Heren zijn waarachtig, zij verheugen het hart; het gebod des Heren is louter, het verlicht de ogen. De vreze des Heren is rein, voor immer bestendig; de verordeningen des Heren zijn waarheid, altegader rechtvaardig.’ Psalm 19:9-10.
In de Romeinenbrief drukt Paulus zich als volgt uit over de wet: ‘Zo is dan de wet heilig, en ook het gebod is heilig en rechtvaardig en goed.’ Romeinen 7:12.
Jezus Christus en de wet
Het doel van Christus’ komst was niet het afschaffen van de wet. Hij kwam om de zonde te overwinnen door volmaakte gehoorzaamheid aan de wet en opende voor ons de weg om eeuwig leven te krijgen. De hierboven aangehaalde teksten uit het evangelie van Matthéüs tonen Jezus’ houding ten opzichte van de wet. Ten overvloede volgt hier nog een tekst die Jezus’ positie tegenover de wet goed doet uitkomen: ‘Gemakkelijker zouden hemel en aarde vergaan, dan dat er van de wet één tittel zou vallen.’ Lukas 16:17.
In Matthéüs 19:16-22 wordt een gesprek beschreven tussen Jezus en een rijke jongeman. De jongeman stelt de vraag wat hij moet doen om het eeuwige leven te krijgen. Jezus’ antwoord is: ‘Onderhoud de geboden.’ En toen hij daarop vroeg welke, somde Jezus enkele van de tien geboden op.
De apostelen en de wet
Ook de apostelen waren ervan overtuigd dat Gods wetten moesten worden gehoorzaamd en van grote betekenis waren. ‘Stellen wij dan door het geloof de wet buiten werking? Volstrekt niet; veeleer bevestigen wij de wet.’ Romeinen 3:31. ‘Want besneden zijn betekent niets, en onbesneden zijn betekent niets, maar wel het houden van Gods geboden.’ 1 Korinthe 7:19. ‘Hieraan onderkennen wij, dat wij de kinderen Gods liefhebben, wanneer wij God liefhebben en zijn geboden doen. Want dit is de liefde Gods, dat wij zijn geboden bewaren. En zijn geboden zijn niet zwaar.’ 1 Johannes 5:2-3. ‘Want wie de gehele wet houdt, maar op een punt struikelt, is schuldig geworden aan alle geboden.’ Jakobus 2:10.
Liefde tot God en tot de naaste
De wet der tien geboden wordt door Jezus samengevat in twee grote beginselen, namelijk liefde tot God en liefde tot de naaste. Toen een Farizeeër Jezus vroeg wat het belangrijkste gebod is, antwoordde Hij: ‘Gij zult de Here, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand. Dit is het grote en eerste gebod. Het tweede, daaraan gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf.’ Matthéüs 22:37-39.
De eerste vier geboden betreffen de verhouding van de mens tot God, het vijfde tot en met het tiende gebod heeft betrekking op de relatie tussen de mensen onderling. Dat deze twee grondslagen betrekking hebben op de hele wet der tien geboden blijkt uit het volgende vers, dat zegt: ‘Aan deze twee geboden hangt de ganse wet en de profeten.’ Matthéüs 22:40.
I Liefde tot God
1 Toen sprak God al deze woorden: Ik ben de Here, uw God, die u uit het land Egypte, uit het diensthuis, geleid heb. Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben.
2 Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is.
Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de Here, uw God, ben een naijverig God, die de ongerechtigheid der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde en aan het vierde geslacht van hen die Mij haten, en die barmhartigheid doe aan duizenden van hen die Mij liefhebben en mijn geboden onderhouden.
3 Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken, want de Here zal niet onschuldig houden wie zijn naam ijdel gebruikt.
4 Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt; zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here, uw God; dan zult gij geen werk doen, gij noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch de vreemdeling die in uw steden woont. Want in zes dagen heeft de Here de hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte op de zevende dag; daarom zegende de Here de sabbatdag en heiligde die. Exodus 20:1-11.
II Liefde tot de naaste
5 Eer uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land dat de Here, uw God, u geven zal.
6 Gij zult niet doodslaan.
7 Gij zult niet echtbreken.
8 Gij zult niet stelen.
9 Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste.
10 Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is. Exodus 20:12-17.
Wet en geloof
Bij alle nadruk die het Nieuwe Testament legt op het houden van de geboden, mogen we niet de fout maken te denken dat het eeuwige leven te verdienen is door het houden van de tien geboden. Ook wanneer we ons de grootste inspanningen getroosten om ons aan Gods wet te houden, kunnen we de volmaakte rechtvaardigheid niet bereiken. De wet kan ons alleen onze zonde tonen; we kunnen haar beschouwen als een spiegel waarin we onze ongerechtigheid zien. Ze moet ons brengen tot Christus die alleen in staat is door Zijn offer het ons ontbrekende te schenken. Hij wil ons Zijn gerechtigheid geven. ‘Wetende, dat de mens niet gerechtvaardigd wordt uit werken der wet, maar door het geloof in Christus Jezus, zijn ook zelf tot het geloof in Christus Jezus gekomen, om gerechtvaardigd te worden uit het geloof in Christus en niet uit werken der wet. Want uit werken der wet zal geen vlees gerechtvaardigd worden.’ Galaten 2:16. ‘Want allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods, en worden om niet gerechtvaardigd uit zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus.’ Romeinen 3:23-24.
Ook vandaag zijn er nog mensen die hun leven niet op het drijfzand van de tijd willen bouwen, maar op een vast fundament, op de Rots van eeuwige waarheid. Van hen zegt Gods Woord: ‘Hier blijkt de volharding der heiligen, die de geboden Gods en het geloof in Jezus bewaren.’ Openbaring 14:12.