Leven als Discipel — Les 2 van 5
Les 17: De Bijbelse doop
Inleiding
Voor een christen is de bijbelse doop een blijde gebeurtenis. Hij krijgt als het ware een andere nationaliteit en wordt een burger van Gods koninkrijk.
Er bestaan tegenwoordig verschillende manieren van dopen. Welke daarvan is nu de juiste, schriftuurlijke doop? Laten we de bijbel ook op dit punt onderzoeken. Maar allereerst dit: het Griekse woord dat vertaald wordt in dopen is baptizo. De betekenis daarvan is (onder)dompelen, indopen. Zij wordt verduidelijkt in een geschiedenis uit het boek Handelingen der apostelen. Daar is onder meer sprake van de doop van de kamerling, een dienaar, aan het hof van Ethiopië door Filippus. ‘(…) en beiden daalden af in het water, zowel Filippus als de kamerling, en hij doopte hem.’ Handelingen 8:38.
Er is hier niet sprake van een besprenkeling, zoals tegenwoordig de doop meestal wordt uitgevoerd.
De doop van Jezus
Dat bovengenoemde wijze van dopen Gods goedkeuring wegdraagt, valt op te maken uit de verzen waar de doop van Jezus wordt beschreven. ‘Terstond nadat Jezus gedoopt was, steeg Hij op uit het water. En zie, de hemelen openden zich, en hij zag de Geest Gods nederdalen als een duif en op Hem komen. En zie, een stem uit de hemelen zeide: Deze is mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik mijn welbehagen heb.’ Matthéüs 3:16-17.
We kunnen hier drie dingen vaststellen:
- Jezus werd ín de Jordaan gedoopt.
- De Heilige Geest daalde op Hem neer.
- God sprak hoorbaar Zijn goedkeuring uit.
Paulus schrijft aan de gemeente Efeze dat er eenheid onder de gelovigen behoort te zijn en dat de basis van deze eenheid is: *‘Eén Here, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, die is boven allen en door allen en in allen.’ Efeze 4:5-6.*Zoals er dus één ware God is en één waar geloof, zo erkent de bijbel ook slechts één manier van dopen, nl. die welke we hierboven beschreven: de doop door onderdompeling.
Eerst onderwijs en bekering
Aan de doop behoort onderwijs vooraf te gaan. Eén van de laatste opdrachten die Jezus vóór Zijn hemelvaart aan de discipelen gaf is de volgende: ‘Gaat dan henen, maakt al de volken tot mijn discipelen en doopt hen in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb.’ Matthéüs 28:19. Voordat overgegaan kan worden tot de doophandeling moet men onderwezen worden. Verder behoort geloof tot de voorwaarden. Dit alles sluit de kinderdoop uit.‘En Hij zeide tot hen: Gaat heen in de gehele wereld, verkondigt het evangelie aan de ganse schepping. Wie gelooft en zich laat dopen, zal behouden worden, maar wie niet gelooft, zal veroordeeld worden.’ Markus 16:15-16.
Maar niet alleen onderwijs en geloof behoren aan de doop vooraf te gaan. Ook bekering is een voorwaarde waaraan vóór de doop voldaan moet worden. ‘En Petrus antwoordde hun: Bekeert u en een ieder van u late zich dopen op de naam van Jezus Christus, tot vergeving van uw zonden, en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen.’ Handelingen 2:38.
De betekenis
De doop is een instelling die meerdere betekenissen heeft. Petrus noemt hem in zijn eerste brief, hoofdstuk 3, vers 21*‘(…) een bede van een goed geweten tot God, door de opstanding van Jezus Christus.’*
Verder herinnert de doop aan de kruisiging en de opstanding van Christus. Wij worden symbolisch met Hem begraven, maar ook weer opgewekt tot een nieuw leven. ‘Of weet gij niet, dat wij allen, die in Christus Jezus gedoopt zijn, in zijn dood gedoopt zijn? Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood, opdat, gelijk Christus uit de doden opgewekt is door de majesteit des Vaders, zo ook wij in nieuwheid des levens zouden wandelen. Want indien wij samengegroeid zijn met hetgeen gelijk is aan zijn dood, zullen wij het ook zijn met hetgeen gelijk is aan zijn opstanding; dit weten wij immers, dat onze oude mens medegekruisigd is, opdat aan het lichaam der zonde zijn kracht zou ontnomen worden en wij niet langer slaven der zonde zouden zijn; want wie gestorven is, is rechtens vrij van de zonde.’ Romeinen 6:3-7.
Een derde betekenis is: men wordt gedoopt in de naam van Jezus Christus tot vergeving van zonden. Toen we hierboven zeiden dat bekering een voorwaarde tot de doop is, haalden we daarbij Handelingen 2:38 aan. Misschien is het u toen reeds opgevallen dat deze tekst, behalve over bekering, ook spreekt over vergeving van zonden. Zij zegt namelijk ook dit: ‘(…) een ieder van u late zich dopen (…) tot vergeving van uw zonden.’ Bij de doop worden alle zonden die we voordien gedaan hebben vergeven. Dat is ook logisch, want we kunnen ons onmogelijk al onze zonden in herinnering brengen die we ooit gedaan hebben, zodat we daarvoor niet apart vergeving kunnen vragen.’
Tenslotte wordt de gelovige door de doop lid van de gemeente van Christus. ‘Want gelijk het lichaam één is en vele leden heeft, en al de leden van het lichaam, hoe vele ook, één lichaam vormen, zo ook Christus; want door één Geest zijn wij allen tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij slaven, hetzij vrijen, en allen zijn wij met één Geest gedrenkt. Want het lichaam bestaat toch ook niet uit één lid, maar uit vele leden.’ 1 Korinthe 12:12-14.
Doop en besnijdenis
Velen zijn van mening dat de doop in de plaats is gekomen van de besnijdenis. Toch betreft het hier twee verschillende instellingen. Ten tijde van Abraham stelde God de besnijdenis in als een speciaal verbondsteken. ‘Voorts zeide God tot Abraham: En wat u aangaat, gij zult mijn verbond houden, gij en uw nageslacht, in hun geslachten. Dit is mijn verbond, dat gij zult houden tussen Mij en u en uw nageslacht: dat bij u al wat mannelijk is besneden worde.’ Genesis 17:9-10.
De besnijdenis werd dus toegepast bij de mannelijke personen van Abrahams huis. Terwijl bij de doop bekering een voorwaarde is, is dat niet het geval bij de besnijdenis. De besnijdenis was een nationaal verbondsteken en behoorde tot de ceremoniële wetten. In de nieuw-testamentische gemeente wordt zij dan ook niet van belang geacht.
In Handelingen 15 wordt de eerste vergadering van de christenen te Jeruzalem beschreven. Daar kwam de vraag over de besnijdenis aan de orde. Sommigen meenden dat de besnijdenis gehandhaafd moest blijven, en zij brachten deze kwestie naar voren. ‘En sommigen, uit Judea gekomen, leerden de broeders: Indien gij u niet besnijden laat naar het gebruik van Mozes, kunt gij niet behouden worden.’ ‘Maar er stonden uit de partij der Farizeeën enigen op, die gelovig geworden waren, en zeiden, dat men hen moest besnijden en gebieden de wet van Mozes te houden. En de apostelen en de oudsten vergaderden om deze aangelegenheid te overwegen.’ Handelingen 15:1, 5-6.
De uiteindelijke beslissing was dat de besnijdenis werd afgeschaft, terwijl er met geen woord gerept werd over de doop. De apostel Jakobus, die blijkbaar de voorzitter van deze vergadering was, zei: ‘Daarom ben ik van oordeel, dat men hen, die zich uit de heidenen tot God bekeren, niet verder moet lastig vallen, maar hun aanschrijven, dat zij zich hebben te onthouden van wat door de afgoden bezoedeld is, van hoererij, van het verstikte en van bloed. Handelingen 15:19-20.
Nu wordt er in het Nieuwe Testament wel gesproken over de besnijdenis, maar dan betreft het de ‘besnijdenis des harten’, d.w.z. de bekering. ‘Want niet híj is een Jood, die het uiterlijk is, en niet dát is besnijdenis wat uiterlijk, aan het vlees, geschiedt, maar híj is een Jood, die het in het verborgen is, en de ware besnijdenis is die van het hart, naar de Geest, niet naar de letter. Dan komt zijn lof niet van mensen, maar van God.’ Romeinen 2:28-29. ‘Want besneden zijn of niet besneden zijn betekent niets, maar of men een nieuwe schepping is. ’Galaten 6:15.
Er bestaan grote, principiële verschillen tussen besnijdenis en doop.
a De besnijdenis werd alleen toegepast bij mannelijke personen; er was geen geloof voor nodig, en zij vond plaats op de achtste dag na de geboorte.
b De voorwaarde voor doop is juist geloof, en verder onderwijs en wedergeboorte.
Aan het begin van deze les stelden we vast dat je door de doop burger van Gods koninkrijk wordt. Paulus beschrijft dat als erfgenaam worden van Christus. Wij erven dan met Hem het eeuwige leven. ‘Want gij allen, die in Christus gedoopt zijt, hebt u met Christus bekleed. Hierbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk: gij allen zijt immers één in Christus Jezus. Indien gij nu van Christus zijt, dan zijt gij zaad van Abraham, en naar de belofte erfgenamen.’ Galaten 3:27-29.