Profetie en Hoop — Les 1 van 4
Les 8: Wat is er na de dood?
Inleiding
Sinds de mens werd verdreven uit de hof van Eden heeft hij altijd gespeculeerd over wat er na de dood met hem gebeurt. De dood is een vijand die zonder uitzondering des persoons iedereen bezoekt. Zij scheidt geliefden van elkaar en doorkruist de grootste ambities. De vraag die velen bezighoudt is: Wat is er na de dood? Er zijn in de loop der tijden hierover veel theorieën ontstaan. Sommige zijn een traditie geworden en als waarheid algemeen geaccepteerd. Hoewel deze theorieën nogal van elkaar verschillen, heeft het merendeel met elkaar gemeen de gedachte dat de mens een onsterfelijke ziel bezit.
Leven we na de dood direct voort, maar in een andere vorm? Gaan we dan naar een andere plaats in het universum? Kunnen we de waarheid weten over onze onzekere toekomst? Is de dood het einde van alles? Spreuken 1:7 zegt: ‘De vreze des Heren is het begin der kennis (…)’ en in hoofdstuk 22:17 zegt het: ‘Neig uw oor en hoor de woorden der wijzen, richt uw hart op mijn kennis.’ Over dit vraagstuk van de dood laten we de goddelijke wetenschap, geopenbaard in Zijn woord, spreken.
De mens is naar het beeld van God, volmaakt, geschapen. (Genesis 1:27, 31). Hoe gebeurde dat? ‘Toen formeerde de Here God de mens van stof uit de aardbodem en blies de levensadem in zijn neus; alzo werd de mens tot een levend wezen (Statenvertaling: levende ziel)’ Genesis 2:7. Het is een wetenschappelijk feit dat de mens bestaat uit dezelfde elementen als die gevonden worden in de aarde. De Here God had hem gevormd uit het stof van de aarde, maar toen was hij nog niet compleet; er ontbrak nog iets aan: leven. Pas toen Hij de levensadem in zijn neus geblazen had, werd de mens tot een levend wezen, een levende ziel.
We kunnen ons dat als volgt voorstellen:
Een levende ziel ontstaat door de samenvoeging van twee elementen.
HET STOF DER AARDE plus DE LEVENSADEM = EEN LEVENDE ZIEL
Hieruit volgt:
HET STOF DER AARDE min EEN LEVENDE ZIEL = EEN DODE ZIEL
EEN LEVENDE ZIEL min DE LEVENSADEM = HET STOF DER AARDE
We hébben niet, zoals velen geloven, een ziel, maar we zíjn een ziel. Deze waarheid wordt beschreven in Psalm 104:29. ‘Verbergt Gij uw aangezicht, zij worden verdelgd, neemt Gij hun adem weg, zij sterven en keren weder tot hun stof.’
God is de gever en instandhouder van alle leven. Jezus, onze Schepper zei: ‘Ik ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij.’ Johannes 14:6.
Tevergeefs probeert men reeds jaren om leven te produceren. Het is een natuurwet, die bepaalt dat leven alleen kan voortkomen uit leven en niet uit dode materie.
Is de ziel sterfelijk?
Nu we hebben gezien dat een mens een ziel ís, moeten we ons afvragen of het mogelijk is dat een ziel sterft. De bijbel geeft als antwoord: ‘De ziel die zondigt, die zal sterven (…) Ezechiël 18:20. Het was niet Gods wil dat de mens zou sterven, maar dat hij eeuwig zou leven, op voorwaarde van gehoorzaamheid aan Zijn gebod. ‘Maar van de boom der kennis van goed en kwaad, daarvan zult gij niet eten, want ten dage, dat gij daarvan eet, zult gij voorzeker sterven.’ Genesis 2:17. Toen Adam en Eva dit gebod overtraden, zondigden zij, en de straf daarop is niets minder dan de dood. ‘Want het loon, dat de zonde geeft, is de dood, maar de genade, die God schenkt, is het eeuwige leven in Christus Jezus, onze Here.’ Romeinen 6:23.
Toch gelooft de overgrote meerderheid van de christenen dat we een onsterfelijke ziel hebben, en dat wanneer het lichaam sterft, de ziel voor eeuwig voortleeft. Waar komt deze leer vandaan? Van de uitspraak van Satans medium, de slang.
‘De slang nu was het listigste van alle dieren des velds, die de Here God gemaakt had; en zij zeide tot de vrouw: God heeft zeker wel gezegd: Gij zult niet eten van enige boom in de hof? Toen zei de vrouw tot de slang: Van de vrucht van het geboomte in de hof mogen wij eten, maar van de vrucht van de boom, die in het midden van de hof staat, heeft God gezegd: Gij zult daarvan niet eten noch die aanraken; anders zult gij sterven.’ Genesis 3:1-3. De slang antwoordde daarop: ‘Gij zult geenszins sterven.’ Genesis 3:4.
Jezus zei later tegen ongelovige Joden over hun relatie met Satan en over zijn geloofwaardigheid: ‘Gij hebt de duivel tot vader en wilt de begeerten van uw vader doen. Die was een mensenmoorder van den beginne en staat niet in de waarheid, want er is in hem geen waarheid. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij naar zijn aard, want hij is een leugenaar en de vader der leugen.’ Johannes 8:44.
Sterven wil zeggen doodgaan; het is het tegenovergestelde van leven. In het boek Prediker zegt de wijze Salomo dat ‘het stof wederkeert tot de aarde, zoals het geweest is, en de geest wederkeert tot God, die hem geschonken heeft.’ Prediker 12:7.
Is er bewustzijn in de dood?
Dwaalt een ziel rond, of gaat hij naar een plaats waar hij gestraft wordt of een plek van eeuwige zaligheid? De Here is duidelijk op dit punt. ‘De levenden weten tenminste, dat zij sterven moeten, maar de doden weten niets; zij hebben geen loon meer te wachten, zelfs hun nagedachtenis is vergeten. Zowel hun liefde als hun haat en hun naijver zijn reeds lang vergaan; en zij hebben nimmer deel aan iets, dat onder de zon geschiedt.’ Prediker 9:5-6.
Hier wordt vastgesteld dat de doden niets weten. Hun levensadem is teruggekeerd tot God en hun lichamen worden ontbonden in de aarde. Daarom: ‘Al wat uw hand vindt om naar uw vermogen te doen, doe dat, want er is geen werk of overleg of kennis of wijsheid in het dodenrijk, waarheen gij gaat.’ Prediker 9:10.
Onsterfelijkheid
Het woord onsterfelijkheid komt slechts drie keer in de bijbel voor, en wel in 1 Korinthe 15:53 en 54 en in 1 Timóthëus 6:16. In de eerste twee teksten wordt gezegd dat na de opstanding het sterfelijke onsterfelijkheid zal aandoen en in de laatstgenoemde tekst is het woord onsterfelijkheid van toepassing op de Here Jezus Christus ‘die alleen onsterfelijkheid heeft en een ontoegankelijk licht bewoont, die geen der mensen gezien heeft of zien kan (…)’
Er wordt nergens in Gods woord gesproken over de onsterfelijkheid van de mens!
Om het voortleven na de dood te bewijzen, beroept men zich graag op de door Christus gesproken woorden: ‘Hij is niet een God van doden, maar van levenden (…)’ Matthéüs 22:33.
Het is noodzakelijk dat we alle aangehaalde teksten in hun verband zien, zo ook deze tekst. Waar gaat het hier om? Om de vraag van de Sadduceeën over de opstanding. Zij geloofden, in tegenstelling tot de Farizeeën, niet in de opstanding en stelden Jezus de vraag wie van de vroegtijdig gestorven mannen na de opstanding de echtgenoot van de vrouw zou worden, waarmee ze allen getrouwd zijn geweest. Jezus antwoordde daarop dat men na de opstanding niet trouwt. Hij zegt – en laten we deze tekst nu in zijn verband lezen: ‘Wat nu de opstanding der doden betreft, hebt gij niet gelezen, wat door God tot u gesproken is, toen Hij zeide: Ik ben de God van Abraham, en de God van Isaak, en de God van Jakob? Hij is niet een God van doden, maar van levenden (…)’ Matthéüs 22:31-33.
In tegenstelling tot de Sadduceeën geloofde Jezus in de opstanding der doden. Door Jezus antwoord wordt de opstanding bewezen, niet een direct voortleven na de dood. Lees deze geschiedenis in uw bijbel na in Matthéüs 22:22-33.
Leeft de geest zelfstandig voort?
Het Hebreeuwse woord ‘ruach’ komt in totaal 377 keer voor in het Oude Testament en is in meer dan 200 gevallen vertaald door ‘geest’, en de overige keren door andere woorden, zoals: wind, adem, wil. Van gelijke betekenis is het Griekse woord ‘pneuma’, dat in het Nieuwe Testament gebruikt wordt. Niets, zowel in het woord ruach als in pneuma, wijst op iets dat zelfstandig, buiten het lichaam om, voortleeft.
Bij het sterven geschiedt alles in tegenovergestelde richting als bij de schepping. We noemen nogmaals deze tekst, waar het zegt dat ‘het stof wederkeert tot de aarde, zoals het geweest is, en de geest wederkeert tot God, die hem geschonken heeft.’ Prediker 12:7.
Zowel Jezus, als later ook Stefanus vertrouwden bij het sterven hun geest (levensadem) toe aan God, van wie zij hun leven ontvangen hadden. Zie Lukas 23:46 en Handelingen 7:59.
Is de dood dan het einde van het bestaan? Dat hoeft niet. God laat ons niet zonder hoop. Er is een mogelijkheid om weer tot leven te komen. De dood wordt in Gods woord vergeleken met een slaap, en uit een slaap kun je weer ontwaken. ‘Zo legt een mens zich neer en staat niet weer op; totdat de hemelen niet meer zijn, ontwaken zij niet en worden niet wakker uit hun slaap.’ Job 14:12.
Uit deze slaap kun je weer ontwaken wanneer ‘de hemelen niet meer zijn’, dat wil zeggen bij de wederkomst van Christus. Toen Jezus over de gestorven Lazarus sprak, zei Hij: ‘(…) Lazarus, onze vriend, is ingeslapen, maar Ik ga daarheen om hem uit de slaap te wekken. De discipelen zeiden dan tot Hem: Here, als Hij slaapt, zal hij herstellen. Doch Jezus had het bedoeld van zijn dood; zij echter meenden, dat Hij het van de rust van de slaap bedoelde. Toen zeide Jezus ronduit tot hen: Lazarus is gestorven.’ Johannes 11:11-14.
Het ligt in Gods grote verlossingsplan besloten dat een ontwaken uit de dood mogelijk is. ‘Velen van hen die slapen in het stof der aarde, zullen ontwaken, dezen tot eeuwig leven en genen tot versmading, tot eeuwig afgrijzen.’ Daniël 12:2.
Wanneer zullen de doden ontwaken?
‘Doch wij willen u niet onkundig laten, broeders, wat betreft hen, die ontslapen, opdat gij niet bedroefd zijt, zoals de andere (mensen), die geen hoop hebben. Want indien wij geloven, dat Jezus gestorven en opgestaan is, zal God ook zó hen, die ontslapen zijn, door Jezus wederbrengen met Hem. Want dit zeggen wij u met een woord des Heren: wij, levenden, die achterblijven tot de komst des Heren, zullen in geen geval de ontslapenen voorgaan, want de Here zelf zal op een teken, bij het roepen van een aartsengel en bij het geklank ener bazuin Gods, nederdalen van de hemel, en zij, die in Christus gestorven zijn, zullen het eerst opstaan.’
1 Thessalonicensen 4:13-16.
De dood kan Gods kinderen niet voor eeuwig vasthouden. Zoals Jezus opstond uit het graf, zo zullen ook zij, die gestorven zijn in het geloof in Christus als hun persoonlijke Verlosser, opstaan bij Zijn wederkomst. Job sprak over deze blijde gebeurtenis als volgt: ‘Maar ik weet: mijn Losser leeft en ten laatste zal Hij op het stof optreden. Nadat mijn huid aldus geschonden is, zal ik uit mijn vlees God aanschouwen, die ik zelf mij ten goede aanschouwen zal, die mijn eigen ogen zullen zien en niet een vreemde; mijn nieren in mijn binnenste versmachten van verlangen.’ Job 19:25-27.
Eeuwig leven, eeuwige dood
‘Want allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods.’ Romeinen 3:23. ‘De ziel die zondigt, die zal sterven (…)’ Ezechiël 18:20.
Eeuwige leven is Gods gave voor degenen die Christus’ offer voor hun zonden aannemen. ‘Want het loon, dat de zonde geeft, is de dood, maar de genade, die God schenkt, is het eeuwige leven in Christus Jezus, onze Here.’ Romeinen 6:23. ‘Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe.’ Johannes 3:16.
Alle doden, zowel de goeden als de kwaden, zullen eens opgewekt worden. Maar niet allen zullen eeuwig leven. ‘Verwondert u hierover niet, want de ure komt, dat allen, die in de graven zijn, naar zijn stem zullen horen, en zij zullen uitgaan, wie het goede gedaan hebben, tot de opstanding ten leven, wie het kwade bedreven hebben, tot de opstanding ten oordeel.’ Johannes 5:28-29. De rechtvaardigen zullen het eeuwige leven ontvangen, maar *‘de goddelozen gaan te gronde (…)’ Psalm 37:20.*Zij ontvangen ‘de tweede dood’, dat is de eeuwige dood. Zie Openbaring 21:8.
De hel
Het Griekse woord ’hades’ en het Hebreeuwse ‘sheol’ hebben dezelfde betekenis, namelijk ‘graf’. In sommige vertalingen zijn deze woordjes vertaald met ‘hel’, in andere met ‘dodenrijk’. Bijvoorbeeld in Matthéüs 11:23 geeft de Statenvertaling het volgende: ‘En gij, Kapérnaüm! Die tot de hemel toe zijt verhoogd, gij zult tot de hel toe nedergestoten worden (…) In de vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap staat hier: ‘En gij, Kapérnaüm, zult gij tot de hemel verheven worden? Tot het dodenrijk zult gij nederdalen (…)
Het woordje hel betekent hier niets anders dan graf.
Wanneer onsterfelijk?
‘Zie, ik deel u een geheimenis mede. Allen zullen wij niet ontslapen, maar allen zullen wij veranderd worden, in een ondeelbaar ogenblik, bij de laatste bazuin, want de bazuin zal klinken en de doden zullen onvergankelijk opgewekt worden (…). Want dit vergankelijke moet onvergankelijkheid aandoen en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen.’ 1 Korinthe 15:51-53.
Na de opstanding zullen zij die Jezus aangenomen hebben als hun persoonlijke Verlosser op grond daarvan door God als rechtvaardig worden gezien, Gods belofte ontvangen: onsterfelijkheid. Deze grote gebeurtenis zal plaatsvinden bij Jezus’ wederkomst als Koning der koningen en Heer der heren. ‘In het huis mijns Vaders zijn vele woningen – anders zou Ik het u gezegd hebben – want Ik ga heen om u plaats te bereiden; en wanneer Ik heengegaan ben en u plaats bereid heb, kom Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat ook gij zijn moogt, waar Ik ben.’ Johannes 14:2-3.
Nadat de verlosten onsterfelijk zijn geworden begint er een nieuw leven. ‘Dan zullen de rechtvaardigen stralen als de zon in het Koninkrijk huns Vaders (…)’ Matthéüs 13:43. Het zal een leven zijn waar men volmaakt gelukkig is. Lijden, verdriet, zorgen, vrees voor de dood zal niet meer bestaan. ‘Hij zal voor eeuwig de dood vernietigen, en de Here Here zal de tranen van alle aangezichten afwissen en de smaad van zijn volk zal Hij van de gehele aarde verwijderen, want de Here heeft het gesproken.’ Jesaja 25:8.