Het Kosmisch Conflict — Les 4 van 4
Les 7: Een plan voor herstel
Inleiding
De harten van Adam en Eva zullen zich met verdriet vervuld hebben, toen ze zich de gevolgen van hun overtreding realiseerden. De overtreden wet van God vroeg het leven van de zondaar. Vanwege Gods rechtvaardigheid kon die niet gewijzigd worden. Voor hun val bezaten ze onschuldige karakters. Nadien kreeg egoïsme de overhand over zuivere liefde. Hun natuur werd verzwakt en het was voor hen onmogelijk om in eigen kracht weerstand te bieden aan de macht van het kwade. In Zijn genade liet God hen niet alleen in deze ellendige toestand; Hij liet hen niet zonder hoop. Er was een schitterend plan opgezet, waardoor het mensdom van de eeuwige dood gered kon worden. In onze studie over de val van de mens zagen we dat God aan het eerste mensenpaar een belofte van redding gaf. Die belofte willen wij in deze les nader bespreken.
Gods liefde geopenbaard
Op de berg Sinaï werd aan Mozes Gods karakter bekendgemaakt. ‘De Here ging aan hem voorbij en riep: Here, Here, God, barmhartig en genadig, lankmoedig, groot van goedertierenheid en trouw, Die goedertierenheid bestendigt aan duizenden, Die ongerechtigheid, overtreding en zonde vergeeft; maar (de schuldige) houdt Hij zeker niet onschuldig (…)’ Exodus 34:6-7.
God kon de schuldige niet vrijspreken, maar Zijn liefdevolle en genadige hart kon hem ook niet zonder hoop op herstel van zijn oorspronkelijke staat laten sterven. *‘Goedertierenheid en trouw ontmoeten elkander, gerechtigheid en vrede kussen elkaar.’ Psalm 85:11.*Goedertierenheid en trouw zijn de twee voornaamste kenmerken van Gods karakter. Zij vormen het wezen van Gods grote verlossingsplan. De straf voor de zonde, de dood, moest worden betaald, maar er zou een Plaatsvervanger voor de zondaar zijn om zijn redding te waarborgen. De Zoon van God, door wie de mens was geschapen, zou Zichzelf offeren voor het schuldige ras. Alleen Hij kon de volle prijs voor onze redding betalen. De gevallen mens kon niet aan de goddelijke eis voldoen. ‘Want allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods.’ Romeinen 3:23. ‘De ziel die zondigt, die zal sterven (…)’ Ezechiël 18:20.
Niemand kan voor zichzelf of voor een ander verzoening doen. Zelfs een engel was daartoe niet in staat, want, hoewel de ongevallen engelen zonder zonde zijn, zijn ook zij geschapen wezens. Iedereen moet vanwege zijn eigen zonden sterven. Alleen de Schepper van de mens kan hem terugkopen. ‘Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe.’ Johannes 3:16.
Een belofte van herstel
Vanaf de tijd van de zondeval is door profetieën en verordeningen keer op keer de belofte van een komende Verlosser herhaald. Daardoor werd de hoop op dit verwachtingsvolle uitzicht levend gehouden. ‘Zie, de maagd zal zwanger worden en een zoon baren, en men zal Hem de naam Immanuël geven, hetgeen betekent: God met ons.’ (Matthéüs 1:23).
Ook de niet gevallen engelen stellen belang in dit verlossingsplan. ‘Zijn zij niet allen dienende geesten, die uitgezonden worden ten dienste van hen, die het heil zullen beërven?’ Hebreeën 1:14. Het is hun grootste vreugde om met onvermoeibare zorg en met grote liefde te werken voor zielen die in zonde gevallen zijn. Zij doen er alles aan om ons in een nauwere relatie met Christus te brengen. ‘Alzo is er, zeg Ik u, blijdschap bij de engelen Gods over één zondaar, die zich bekeert.’ Lukas 15:10.
De patriarchen en profeten van het Oude Testament hadden een vast geloof in Christus’ zoenoffer – Zijn dood als losprijs – voor de mens. Abel, de zoon van Adam, begreep de betekenis van het lam dat hij offerde als een type van ‘(…) het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt.’ Johannes 1:29. ‘Ook Abel bracht er een van de eerstelingen zijner schapen, van hun vet; en de Here sloeg acht op Abel en zijn offer.’ Genesis 4:4.
Ook Abraham bewees door zijn handelwijze dat hij de aard van Christus’ verlossende offer begreep. God stelde hem op de proef. Hij moest zijn enige zoon, Izak, offeren. Maar toen hij daartoe zou overgaan, weerhield God hem daarvan en voorzag hem van een plaatsvervangend offer. ‘Toen sloeg Abraham zijn ogen op en daar zag hij een ram achter zich, met zijn horens verward in het struikgewas. En Abraham ging en nam de ram en offerde hem ten brandoffer in plaats van zijn zoon.’ Genesis 22:13.
De offerdieren waren types, symbolen, of afbeeldingen van het ware offer dat in de toekomst zou plaatsvinden. ‘Doch door die offeranden werden ieder jaar de zonden in gedachtenis gebracht; want het is onmogelijk, dat het bloed van stieren of bokken zonden zou wegnemen. Daarom zegt Hij bij Zijn komst in de wereld: Slachtoffer en offergave hebt Gij niet gewild, maar Gij hebt Mij een lichaam bereid; in brandoffers en zondoffers hebt Gij geen welbehagen gehad. Toen zeide Ik: Zie, hier ben Ik – in de boekrol staat van Mij geschreven – om uw wil, o God, te doen.’ Hebreeën 10:3-7.
Enkele profetieen die wezen op de komst van Christus
De profeet Daniël voorspelde de tijd wanneer de Messias zou optreden. Die profetie vervulde zich bij Christus’ doop, die het begin was van Zijn aardse dienst. ‘Weet dan en versta: vanaf het ogenblik, dat het woord uitging om Jeruzalem te herstellen en te herbouwen tot op een gezalfde, een vorst, zijn zeven weken; en tweeënzestig weken lang zal het hersteld en herbouwd blijven, met plein en gracht, maar in de druk der tijden.’ Daniël 9:25.
Een dag in de profetie is een jaar in werkelijkheid. Zie Numeri 14:34 en Ezechiël 4:6. De periode die Daniël hier aangeeft is 7 weken en 62 weken, totaal dus 69 weken (483 dagen) profetische tijd, dat wil zeggen in werkelijkheid een periode van 483 jaar. De Joden waren in de tijd van Daniël in ballingschap in Babel, dat later door de Meden en Perzen werd overwonnen. Koning Arthasasta van Medo-Perzië gaf in 457 vóór Christus, het zevende jaar van zijn regering, het bevel tot terugkeer naar Israël en tot herbouw van Jeruzalem. Zie Ezra 7. Tellen we vanaf dat jaartal de periode van 483 jaar, dan moet dat volgens deze profetie van Daniël reiken tot de Messias, de Gezalfde. We komen dan op het jaar 27 na Christus. Christus is dan ongeveer 30 jaar. (Het verschil is ontstaan, omdat men zo’n 3 à 4 jaar te laat begonnen is met de instelling van de christelijke jaartelling.) Toen Jezus ca. 30 jaar oud was, vond Zijn zalving plaats door de doop. Hij begon toen Zijn openbare dienstwerk. Zie Lukas 3:21-23 en Handelingen 10:38.
Micha voorspelde Christus’ geboorteplaats. ‘En gij, Betlehem Efrata, al zijt gij klein onder de geslachten van Juda, uit u zal Mij voortkomen die een heerser zal zijn over Israël en wiens oorsprong is van ouds, van de dagen der eeuwigheid.’ Micha 5:1. En het evangelie van Matthéüs bevestigt die profetie. ‘Toen nu Jezus geboren was te Betlehem in Judea, in de dagen van koning Herodes, zie, wijzen uit het Oosten kwamen te Jeruzalem.’ Matthéüs 2:1.
De prijs voor de verlossing
Jesaja heeft meer dan zeven eeuwen voordien een heldere beschrijving gegeven van de wrede marteling en de schandelijke dood die Christus zou moeten ondergaan. Zijn profetie geeft zo’n gedetailleerde beschrijving van die gebeurtenissen, dat het lijkt alsof hij een ooggetuige van Christus’ lijden is geweest. ‘Hij was veracht en van mensen verlaten, een man van smarten en vertrouwd met ziekte, ja, als iemand, voor wie men het gelaat verbergt; hij was veracht en wij hebben hem niet geacht. Nochtans, onze ziekten heeft hij op zich genomen, en onze smarten verdragen; wij echter hielden hem voor een geplaagde, een door God geslagene en verdrukte. Maar om onze overtredingen werd hij doorboord, om onze ongerechtigheden verbrijzeld; de straf die ons de vrede aanbrengt, was op hem, en door zijn striemen is ons genezing geworden. Wij allen dwaalden als schapen, wij wendden ons ieder naar zijn eigen weg, maar de Here heeft ons aller ongerechtigheid op hem doen neerkomen. Hij werd mishandeld, maar hij liet zich verdrukken en deed zijn mond niet open; als een lam dat ter slachting geleid wordt, en als een schaap dat stom is voor zijn scheerders, zo deed hij zijn mond niet open.’ Jesaja 53:3-7.
Ook in de Psalmen wordt Zijn dood beschreven. ‘Verdroogd als een scherf is mijn kracht, mijn tong kleeft aan mijn gehemelte; in het stof des doods legt Gij mij neer. Want honden hebben mij omringd, een bende boosdoeners heeft mij omsingeld, die mijn handen en voeten doorboren.’ Psalm 22:16-17.
Nadat Jezus in de hitte van de dag aan het kruis urenlang ondraaglijke pijn had doorstaan, riep Hij uit: ‘(…) Mij dorst.’ Johannes 19:28. Wrede handen hadden de Zoon des mensen aan het kruis genageld. Daaraan voorafgaand was Hij van de ene rechtbank naar de andere gesleept; Hij was wreed geslagen, bespot en gegeseld. Hij onderging de dood van een misdadiger. Wat een schouwspel! De onschuldige Zoon van God, gemarteld en gedood. Dat is de prijs die Hij voor ons betaalde; om ons de mogelijkheid te geven eeuwig te kunnen leven gaf Hij Zijn leven. ‘Want gij zijt gekocht en betaald (…)’ 1 Korinthe 6:20.
Gods liefde voor de gevallen mens is zo groot, dat Hij Zijn Zoon toestond om de gevaren van het leven tegemoet te treden. Om mensen de kans te geven aan de eeuwige dood te ontkomen riskeerde de almachtige God het leven van Zijn Zoon. ‘Wetende, dat gij niet met vergankelijke dingen, zilver of goud, zijt vrijgekocht van uw ijdele wandel, die (u) van de vaderen overgeleverd is, maar met het kostbare bloed van Christus, als van een onberispelijk en vlekkeloos lam.’ 1 Petrus 1:18-19.
Het ‘kostbare bloed van Christus’ is de prijs, die betaald is voor onze verlossing. Alle schatten van de hemel werden uitgestort in deze ene gift. Iedereen die gebruik maakt van Gods vrije offer van redding door Zijn Zoon, behoort Hem nu tweemaal toe. In de eerste plaats door de schepping en vervolgens door de verlossing. Zo iemand kan met de apostel Johannes uitroepen: ‘Ziet, welk een liefde ons de Vader heeft gegeven, dat wij kinderen Gods genoemd worden, en wij zijn het (ook).’ 1 Johannes 3:1.
Wat heeft Christus door Zijn dood nu gewonnen? In de Schriften lezen we dat de weg die ten leven leidt nauw is, dat de poort eng is, en dat maar weinigen hem vinden (Matthéüs 7:14). De vraag is dan gerechtvaardigd: Was het dat allemaal wel waard?
Door de duivel te gehoorzamen had de mens de heerschappij, die hem bij de schepping over deze wereld gegeven was (Genesis 1:26), verloren, maar door de dood en de opstanding van Christus werd die heerschappij weer teruggewonnen. De autoriteit van God was hersteld. ‘En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, want de eerste hemel en de eerste aarde waren voorbijgegaan (…) En ik hoorde een luide stem van de troon zeggen: Zie, de tent van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen zijn volken zijn en God zelf zal bij hen zijn.’ ‘En Hij, die op de troon gezeten is, zeide: Zie, Ik maak alle dingen nieuw (…)’ Openbaring 21:1, 3 en 5.
De wereld, verloren in zonde, en daardoor in staat van vijandschap met God, werd door Christus met God verzoend. ‘(*…) God, die door Christus ons met Zich verzoend heeft en ons de bediening der verzoening gegeven heeft, welke immers hierin bestaat, dat God in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende was, door hun hun overtredingen niet toe te rekenen, en dat Hij ons het woord der verzoening heeft toevertrouwd.’ 2 Korinthe 5:18-19.*Aan het kruis betaalde Christus de prijs voor de overwinning over de duivel. Voortaan kun je Satan dus beschouwen als een overwonnen vijand. ‘Daar nu de kinderen aan bloed en vlees deel hebben, heeft ook Hij op gelijke wijze daaraan deel gekregen, opdat Hij door zijn dood hem, die de macht over de dood had, de duivel, zou onttronen.’ Hebreeën 2:14.
Jezus was bereid om de prijs voor onze redding met Zijn eigen bloed te betalen en in geloof zag Hij de beloning daarvoor. ‘Om zijn moeitevol lijden zal hij het zien tot verzadiging toe; door zijn kennis zal mijn knecht, de rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, en hun ongerechtigheden zal hij dragen. Daarom zal Ik hem een deel geven onder velen en met machtigen zal hij de buit verdelen, omdat hij zijn leven heeft uitgegoten in de dood, en onder de overtreders werd geteld, terwijl hij toch veler zonden gedragen en voor de overtreders gebeden heeft.’ Jesaja 53:11-12.
Dat wat Christus voor ons verkreeg, was een volmaakte, eeuwige redding. ‘En zo heeft Hij, hoewel Hij de Zoon was, de gehoorzaamheid geleerd uit hetgeen Hij heeft geleden, en toen Hij het einde had bereikt, is Hij voor allen, die Hem gehoorzamen, een oorzaak van eeuwig heil geworden.’ Hebreeën 5:8-9.
Onze Zaligmaker zal volledig voldoening van Zijn werk hebben, wanneer de verlosten van alle eeuwen bij Hem zullen zijn in Zijn prachtige koninkrijk. De resultaten van het verlossingsplan zullen dan volledig gezien worden en er zal voor altijd vrede en harmonie in Gods universum bestaan.